De Bengaal: een ras apart

Verklarende woordenlijst

black-and-tan: de black-en-tan variëteit heeft een zwarte bovenzijde, en een warmbruine onderzijde. Een voorbeeld van black en tan is de Doberman Pinscher.

browntabby: andere gebruikte benamingen voor de browntabby zijn: zwart gevlekt/marble; blacktabby; cypers (bij huiskatten), leopard.

bulls-eye tekening: de classic tabby of blotched tabby komt voor bij de gewone huiskat en is bij Brits kortharen zeer mooi geperfectioneerd. De ronde aftekening op de flanken noemt men de bulls-eye, en op de schouders is een oestervormige aftekening te zien. Bij de marble Bengaal wil men deze karakteristieken juist niet zien, om een duidelijk onderscheid te maken met de classic tabby, maar ook omdat verticale aftekeningen een ongunstige invloed kunnen hebben op het vlekpatroon.

classic tabby: ook wel blotched tabby genoemd. Dit is een bij de huiskat algemeen voorkomend afwijkend tabbypatroon dat is ontstaan door een mutatie van het originele gestreepte tabbypatroon, die waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen plaatsvond.

dominant: genen komen altijd in paren: één gen van de vader, één van de moeder. Een dominant gen komt altijd tot uiting, ook als het andere gen van één paar anders is. Bijvoorbeeld: het zilvergen is dominant tegenover normaal gekleurd. Als een kat één gen voor zilver draagt en één voor normaal gekleurd, zal hij er zilver uitzien.

Egyptische Mau: een gevlekt natuurras, afkomstig uit Egypte. Is veel gebruikt voor de wildkruisingen, omdat het weinig recessieve genen draagt, omdat het een gematigd type heeft en omdat het gevlekt is.

F-1 generatie: bij de Bengaal wordt hier de generatie bedoeld die ontstaan is door de kruising van een tijgerkatkater en een huiskat poes. Deze poes was vroeger vooral een Egyptische Mau, tegenwoordig vaak een Bengaal. Alle katers in deze F-1 generatie zijn steriel, door de kruising van twee verschillende soorten.

F-2 generatie: dit zijn de kinderen van de F-1 poezen. De vader is weer een huiskat, tegenwoordig meestal een Bengaal. F-2 katers zijn meestal steriel.

fenotype: het fenotype zijn de uiterlijke kenmerken die het gevolg zijn van het genotype, de genetische opmaak van een dier.

gedomesticeerde kat: met de gedomesticeerde kat wordt de soort bedoeld, waartoe zowel raskatten als huis-tuin-en-keuken katten behoren. Over het ontstaan van de huiskat is vrij weinig bekend. De meeste theorieën leggen het ontstaan ergens in Egypte, met als voorvaderen de Junglekat (Felis chaus) en de Afrikaanse wilde kat (Felis lybica). De Afrikaanse wilde kat lijkt meer op de huiskat en is dus de meest waarschijnlijke voorvader, maar deze zuidelijke variant van de Europese wilde kat (Felis sylvestris) is absoluut ontembaar. De Junglekat lijkt minder op de huiskat, hij heeft ongeveer de tekening van een Abessijn, maar kruisingen van de Junglekat en de huiskat zijn makkelijk te temmen. Onderzoek naar de oorsprong van de huiskat is echter nog steeds gaande.

genetische basis: het totaal aan verschillend genetisch materiaal dat beschikbaar is binnen een ras.

heterozygoot: een dier is heterozygoot voor een bepaalde eigenschap als het er van beide ouderdieren een verschillend gen voor heeft gekregen. Voorbeeld: als men een marble kater met een gevlekte poes kruist, zijn de gevlekte kittens heterozygoot voor vlekking: ze hebben tenslotte van hun marble vader een gen voor marble gekregen, en van hun moeder hebben ze een gen voor vlekking gekregen.

homozygoot: een dier is homozygoot als het voor een bepaalde eigenschap twee dezelfde genen draagt.
Recessief verervende eigenschappen (zoals marble) komen pas tot uiting als het dier er homozygoot voor is.

jukbeenderen: onder de ogen gelegen deel van de schedel. Bij katten hoge jukbeenderen niet verwarren met katerwangen of pinch. Pinch is een samenknijping van de snuit tussen de bol van de kop en de snuit, net onder de jukbeenderen.

katerwangen: verdikking van de kop van een kater aan de zijkant van de kop. Maakt de katerkop ronder en voller. Ontstaat meestal bij geslachtsrijpe katers na een aantal paringen. Sommige rassen hebben meer aanleg voor het ontwikkelen van katerwangen (jowls), bijvoorbeeld de Brits korthaar.

lynxpluimen: op het oor staande kwastjes haar. Vooral bij de Lynx zeer sterk ontwikkeld.

Ocicat: gevlekt kattenras, ontstaan uit pogingen om een ticked pointed Siamees te fokken. Om dit doel te bereiken werden een Siamees en een Abessijn gekruist. Eén van de nakomelingen had prachtige vlekken. Hiermee is verder gefokt door bloed van de Amerikaanse korthaar toe te voegen om de katten groter te maken. De Ocicat heeft een vrij oosters lichaamstype en karakter.

ondervacht: de vacht van een kat bestaat uit twee soorten haren: langere, harde haren en kortere zachte haren. Deze zachtere haren zijn de ondervacht. Zij houden de kat warm en droog. Door selectief te fokken kan men de ondervacht langer (Pers) of korter (Siamees) fokken. Een dichte ondervacht doet de langere dekharen uitstaan, wat bij een Pers zeer gewenst is, omdat de vacht dan zeer vol lijkt. Bij de Bengaal is overvloedig onderhaar niet gewenst, omdat een uitstaande vacht het vlekpatroon bederft.

ongecastreerde poezen: de operatie waarmee poezen onvruchtbaar gemaakt worden wordt meestal sterilisatie genoemd, maar omdat baarmoeder en eierstokken geheel verwijderd worden betreft het hier eigenlijk een castratie. Sterilisatie houdt in dat alleen zaadleider of eileiders worden afgebroken.

pigmentvorming: pigment zijn kleine bolletjes kleurstof, die de kleur van onder andere haren en huid bepalen, doordat er meer of minder van aanwezig zijn. Veel pigment geeft een donkere kleur, weinig pigment een lichte kleur. Bij de Siamees wordt de pigmentvorming bepaald door de temperatuur: hoe kouder, hoe meer pigment. Daarom is het warme lichaam bij de Siamees bijna wit van kleur.

points: de uiteinden van de oren, de snuit, de poten en de staart, die bij de Siamees donker gekleurd zijn, noemt men de points.

polygenetisch: eigenschap die door meerdere genen bepaald wordt. Voorbeeld: de vachtkleur van een Bengaal (bv browntabby, snow) wordt genetisch bepaald, de intensiteit van deze kleur wordt (bv warmrood, grijs) polygenetisch bepaald.

recessief: recessief verervende eigenschappen zijn eigenschappen, die pas tot uiting komen als het dier er homozygoot voor is.

selectieve fok: fokmethode, waarbij het uiterlijk van het poes bepaalt, welke kater gekozen wordt. De fouten van de poes moeten door de kater gecorrigeerd worden. Het resulterende nest zal gemiddeld als volgt zijn opgebouwd: één kwart met fouten van kater en poes: deze dieren worden uitgesloten voor de fok. Eén kwart met de goede punten van kater en poes: deze dieren zorgen voor de vooruitgang van het ras. De helft met enkele fouten van kater of poes: deze dieren kunnen belangrijk zijn voor de fok mits weer gecombineerd met een geschikte partner. De selectieve fok werkt anders dan de lijnfok, waarbij het uiterlijk van een individu er niet veel toe doet, maar zijn afstamming deste meer.

steward: op een kattenshow helpen de stewards de keurmeesters door katten bij de kooien van de exposanten op te halen en te assisteren bij de keuringen, zodat de keurmeester alle aandacht aan de kat kan schenken.

vloeiende oriëntatie : een vloeiende oriëntatie van vlekken betekent, dat de vlekking de rondingen van het lichaam volgt. Dit geeft een heel natuurlijk effect en doet sterk aan de vlekking van wilde katten denken.

wildvlek: de meeste kleine wilde katten hebben wildvlekken (ook wel ocelli genoemd) op de achterkant van hun oren. Deze witte ronde vlekken hebben moeten waarschijnlijk van achteren naderende roofdieren de indruk geven dat het ogen zijn, waardoor het lijkt alsof de kat hen recht aankijkt.

vroege generatie kruisingen: de eerste en tweede generatie na wildkruising (F-1, F-2) zijn duidelijk verschillend van de andere generaties, door hun veel wildere uiterlijk, hun vaak wat moeilijkere karakter en bij de katers de onvruchtbaarheid. De derde generatie is in de meeste opzichten al een echte Bengaal, maar sommige katers kunnen nog steriel zijn en bij onzorgvuldige fok kunnen de karakters ook nog terughoudend zijn.

witte aftekeningen : meestal wordt de term 'white spotting' gebruikt. Dominant verervend gen dat over de genetische kleur van de kat 'geschilderde' witte vlekken veroorzaakt. De plaats van de medaillons, buikvlekken en witte tenen is hierbij niet helemaal duidelijk. Als zij dominant zouden vererven zouden ze zeer gemakkelijk weg te fokken moeten zijn, wat niet het geval is. Bovendien zou een kat met een medaillon dan kittens moeten kunnen vererven met bijvoorbeeld witte voeten, wat ook niet het geval is. Wellicht vererven medaillons etc. bij de kat hetzelfde als bij de hond, waar een borstvlek na generaties lang geheel gekleurde honden zomaar weer op kan duiken.

zipper design: van de wilde kat overgeërfde buiktekening, die een grote gelijkenis vertoont met een 'zipper', een ritssluiting.

vorige pagina